Nieuws

Goede Gieren in Eindhoven: ‘Je hebt er een beetje lef voor nodig!’

Onorthodox maatwerk de schuldhulpverlening binnenbrengen. Daar ging het om in de pilot in Eindhoven van de Goede Gieren Coöperatie. Gerti Velter, vanuit de gemeente gedetacheerd bij Wijeindhoven, voerde de projectleiding. In totaal 18 cases, waarbij de hulpverlening in een impasse was geraakt, werden onder de loep genomen.

De impasses zijn doorbroken door na te gaan wat anders kan vanuit de Goede Gieren filosofie: “Wat kan er wel?!”. In veel gevallen bleef de schuldhulpverlening uit door bureaucratische belemmeringen, zoals tegengestelde regels. Een voorbeeld. In een schuldhulpverleningstraject werd van een cliënt met een eigen woning verlangd dat hij of zij een extra kamer verhuurde. Maar dit extra inkomen wordt door de dienst Arbeid & Inkomen gekort op de uitkering. Netto leverde dit dus niets op. Andere belemmeringen hadden te maken met onbekendheid. Een nieuwe partner van iemand die een schuldhulptraject volgde wilde een bijdrage leveren om van de schuld af te komen. Maar zo’n tussentijds akkoord kon niet, “omdat dat nog nooit was gedaan.”

Wel arbeidsplicht, geen verhuurplicht

Velter: ‘In deze en andere casussen bekeken we de zaak opnieuw en keken we vooral wat we wél konden regelen. In het geval van de kamerverhuur hebben we een krachtig schuldhulpverleningsvoorstel geformuleerd. Nadrukkelijk wezen we erop dat er wel een arbeidsplicht is en geen plicht tot verhuur. Uiteindelijk is met het voorstel akkoord gegaan. In het voorbeeld van de nieuwe partner, die een aanzienlijke aflossing van de schuld wilde financieren, bleek de drempel vooral te liggen bij de onbekendheid van de hulpverlener met zo’n oplossing. Toen we contact opnamen met de schuldeisers bleken zij graag op dit voorstel in te gaan.’

Gebrek aan motivatie vertrekpunt voor hulpverlening

Schuldhulpverlening in Eindhoven raakte ook nog weleens in een impasse door de (verslechterde) werkrelatie tussen hulpverlener en cliënt – al dan niet mede ingegeven door de lange looptijd van het traject. Zo is gebrek aan motivatie nogal eens een grond om uitgesloten te worden van hulpverlening. Vanuit de Goede Gieren-filosofie wordt juist gesteld dat een gebrek aan motivatie geen uitsluitingsgrond, maar een vertrekpunt voor hulpverlening moet zijn. ‘In diverse gevallen hebben we gezien dat onze generalisten van de wijkteams het gedrag van de bewoners aangrijpen om zich terug te trekken. De generalist verschuilt zich dan achter het idee van eigen verantwoordelijkheid. Maar als iemand ervoor “kiest” om af te haken, is dat wachten op ellende. Daar mag een generalist zich niet bij neerleggen.’ Kleine stapjes nemen Gerti Velter wijst ook op het belang van het maken van “kleine stapjes” in de werkrelatie tussen hulpverlener en bewoners. ‘Maak het niet te groot. Mensen zijn zo onzeker geworden door alles wat hen overkomen is. En ze worden ook vaak meegezogen in een negatieve spiraal. Geef ook maar één opdracht en geen tien. Om die eerste stappen te kunnen zetten, is de centrale vraag: “Waar lig je wakker van?”, daarmee gaan we beginnen.’ Natuurlijk moeten schuldeisers meewerken om bijvoorbeeld “een stapje te wachten”. Maar ook daar kun je een en ander bereiken door de schuld te stabiliseren (op 90% van het bijstandsniveau). ‘En mensen liggen niet zozeer wakker van het feit dat ze schuld hebben, maar van de manier waarop de schuldeisers hen achter de broek zitten – en de schuld alleen maar oploopt.’ Die “kleine stapjes” bieden ook een grotere kans op eerste succesjes, waardoor cliënten zien dat initiatief loont.

Investeren in structureel contact met schuldeisers

In de pilot heeft Eindhoven goed gekeken naar de kosten en baten van alternatieve schuldsanering. Gemeenten krijgen door de decentralisaties nu een veel groter deel van de totale kosten van mensen met gestapelde problemen op hun bordje. Niet toelaten van mensen tot schuldhulpverlening leidt tot hogere kosten, waarvoor gemeenten uiteindelijk in de buidel moeten tasten. Dit maakt hen ontvankelijker voor een goede kosten- en batenberekening van een alternatief traject. Velter vertelt dat men in de pilot veel tijd kwijt was aan bureaucratische belemmeringen. Daarop richten dan ook veel aanbevelingen zich. ‘De eerste belangrijke les is, dat er vaak meer kan dan generalisten denken en schuldhulpverleners geneigd zijn toe te staan. Schuldhulpverlening richt zich vaak op schuldeisers. Toegang tot en contact met al dan niet landelijk opererende publieke en private instellingen is hierbij erg belangrijk. Het is essentieel dat deze toegang en contacten niet elke keer in elke situatie weer van voren af aan gestalte moet krijgen. Deze zouden eigenlijk structureel moeten zijn, waar in individuele gevallen dan een direct beroep op kan worden gedaan. Het is verstandig om als gemeente hierin te investeren – zeker met instanties als de belastingdienst, het CJIB en het UWV.’ Tenslotte staat of valt veel met een goede werkrelatie tussen de generalist van de gemeente en de cliënt. Komen zij gezamenlijk tot een oplossing, dan kan het echter het echter toch gebeuren dat de schuldhulpverlening of dienst Arbeid & Inkomen alsnog “nee” zegt. Daarnaast blijken de generalisten nog weinig te weten van wat de backoffice nodig heeft om het werk goed te doen. ‘We moeten nog zeker investeren in deze samenwerking tussen generalist, schuldhulpverleners, de dienst Arbeid & Inkomen en backoffice.’

Het pilotrapport stelt dat je het ontwikkelen van het vereiste maatwerk het beste leert door het te doen. En je niet neer te leggen bij belemmeringen, maar te kijken wat er wel kan. Zeker geen sinecure, maar wel noodzakelijk: ‘Je hebt best een beetje lef nodig om dat te doen’, aldus Gerti Velter.